‘Mag het niet gewoon over klank gaan?’, is een van de zinnetjes die ik hoor. Ik zit op de tribune van Het Geitepark en uit alle hoeken komen nerveuze uitspraken op me af. De spelers van Veenfabriek weten het zo net nog niet. Ze zijn kunstenaars, dat voelen ze. En als toeschouwer merk je het, aan de tederheid waarmee ze hun muziekinstrumenten bespelen, aan hun liefde voor taal, aan de geoefende rust waarmee ze onze blikken trotseren. En misschien wel vooral aan dat zoekende: ‘ik wil op een bepaalde manier in de wereld staan, namelijk als kunstenaar. Hoe verantwoord ik dat?’
KUNST van (muziek)theatergezelschap de Veenfabriek is een voorstelling over, tja, kunst. En misschien wel vooral over wat je als kunstenaar moet met al die meningen over kunst. Recensenten, bestuurders, politici: zij vinden allemaal wat van jouw werk. Over wat het voorstelt, of het goed is en subsidiewaardig, of het wel mag op de locatie van je voorkeur. Zelf weet je misschien ook niet precies wat je jezelf aanmeet. Als kunstenaar ben je – zo vermoed ik – vooral bevangen door die drang om uit te drukken wat je voelt, om de schoonheid van het leven te bezingen, om vorm te geven aan het totaal indrukwekkende feit dat we überhaupt bestaan. Om daar een klankkast van te zijn.
Maar hoe verantwoord je dat? Voor je geldschieters, voor jezelf? ‘Ik zou zo graag een einde aan de oorlog maken’, is zo’n los zinnetje dat ook voorbijkomt in deze voorstelling. Ja, stel je voor dat jij wist hoe dat moest, dat jij dat als kunstenaar kon, dan stopte je die oorlogen natuurlijk gelijk – en dan stond je ook nooit meer met je mond vol tanden als mensen jou vroegen waar kunst goed voor is. In plaats daarvan sta je op Oerol locatietheater te maken. Je bespeelt de fluit en de viool, je doet een vogel na met je niet-vogellijf. Wat heeft dat nu voor zin?
Waarom tekenden onze voorouders ossen op de wanden van de grotten waar ze schuilden? Wat is daar het nut van? Er wordt wel gezegd dat die afbeeldingen van oerossen een soort bezwerende functie zouden hebben gehad; onze voorouders dwongen er een goede jacht mee af. Dat maakt kunst dan gelijk weer tot iets nuttigs. Maar zou het niet kunnen dat onze voorouders gewoon zwaar onder de indruk waren van de kracht en gratie van die beesten, en die kwaliteiten wilden eren en verkennen door ze als het ware te belichamen? Want als je tekent, moet je in zekere zin samenvallen met wat je uitbeeldt. Je moet die lijnen van binnenuit voelen. Zoals je hier, als theatermaker op Het Geitepad, een vogel na kan doen met jouw niet-vogellijf. Dat is een manier om een andere levensvorm te vieren. Om je van binnenuit met het hele bestaan te verbinden. En dat zeiden ze óók, die spelers van de Veenfabriek: kunst is een liefdesbrief aan het leven zelf.
Denker des vaderlands Marjan Slob schrijft de komende dagen impressies van en gedachten over Oerol voor de Dagkrant. Ga voor meer informatie naar het programma.


