Verslag onderzoeksresidentie Mees Vervuurt/Studio Vacuüm

In maart reisden Mees Vervuurt, Roel Meijvis, Els Mondelaers en Annabel Koele naar Terschelling voor een onderzoeksresidentie, onderdeel van de Oerol Werkplaats. Dit traject biedt makers de kans om hun locatie-specifieke werk verder te ontwikkelen. Hieronder lees je het verslag van de week die Mees en het team op het eiland doorbrachten.

Tijdens de Oerol Werkplaats deden wij een eerste onderzoek voor An Elegy. Een elegie is een (melancholisch) gedicht of gezang, vooral bekend als klaagzang. Het woord stamt af van elegos; Oudgrieks voor zang of melodie. Vroege Griekse en Latijnse elegieën beklagen vaak ouderdom, of een verloren of onbereikbare liefde, maar het kan ook een strijdlied of politiek vertoog zijn. Voor An Elegy hanteren (en onderzoeken) we deze uiteenlopende betekenissen. We maken een (muzikaal en beeldend) gedicht over de relatie tussen de mens en diens omgeving, mét mens en omgeving in het spanningsveld tussen opgaan en verdwijnen.

In het werk van Mees is de locatie, de fysieke ruimte, altijd gelijkwaardig aan de performers. Met de Werkplaats kunnen we voor An Elegy de locatie vanaf het eerste ontwikkelmoment van het werk betrekken. Deze week hebben we dan ook vooral gebruikt voor locatieonderzoek: wat voor soort plekken roepen welke vragen op? Hoe verhouden afstand, diepte, omgevingsgeluid, landschap, vogels, wind, ondergrond, helmgras en konijnen zich tot de menselijke stem, lichaam, oren en zicht?

We werkten hiervoor op verschillende locaties samen met zangeres Els Mondelaers en mimer Annabel Koele. We onderzochten met hun verschillende manieren om op te gaan in het landschap en hoe we hiermee vooral de plek zelf laten spreken, zingen, zien en bewegen. In ons werk speelt het begrip stilte een belangrijke rol, en de vraag hoe we het publiek (en hoe wij als mensen) dieper kunnen laten luisteren, met échte aandacht voor onze omgeving.

De schop en de bijl

Belangrijke inspiratie voor ons en meer nog voor dit specifieke werk is een van de acht punten uit het eco-art manifest van schrijver en (“voormalig”) milieuactivist Paul Kingsnorth: “Mensen zijn niet de zin en het doel van de planeet. Onze kunst gaat een eerste poging wagen om buiten de menselijke zeepbel te stappen. Met behulp van zorgvuldige aandacht zullen we weer een wisselwerking aangaan met de niet-menselijke wereld.”

De begrippen wisselwerking en symbiose kwamen veel terug deze week. Zo ook in het fijne gesprek met Feline Zwaan van Staatsbosbeheer, waar we onze Werkplaats mee begonnen. Omdat ons werk inhoudelijk en vormelijk over de relatie mens-omgeving gaat, is de vraag wat het überhaupt betekent om performances te maken in ‘de natuurlijke wereld’ onvermijdelijk. Het is voor ons heel waardevol om hiervoor van de ervaring van Oerol en Staatsbosbeheer te leren.

We vroegen Feline wat voor haar hierin de meest ‘geslaagde’ werken zijn. Zij antwoordde hierop door te wijzen op werken die niet zozeer het minst belastend zijn, maar juist bijdragen aan ‘de natuur’. Zo kan een performance waar veel publiek naartoe moet bijvoorbeeld bijdragen aan de verstuiving van een gebied. Maar Feline noemde ook dat performances die (de schoonheid van) ‘de natuur’ uitlichten of versterken een vorm van natuurbescherming zijn en zo ook meehelpen aan het doel van Staatsbosbeheer. Natuurbescherming is niet enkel een technisch, ecologisch verhaal dat verteld moet worden, maar ook het tonen en laten ervaren van dat wat beschermd moet worden.

Die gedachte – schoonheid als vorm van natuurbescherming – is ons erg bijgebleven gedurende de week dat we op verschillende locaties aan het werk waren. Het bood een perspectief om de makers op een festival als Oerol tegelijkertijd te beschouwen als natuurbeschermers. Roel las tijdens deze Werkplaats het boek Denken als een berg. Het jaar rond op de zandgronden (1949) van Aldo Leopold, waarin Leopold een vergelijkbaar punt als Feline maakt over de twee manieren om de natuur te beschermen. Hij gebruikt hiervoor ergens de volgende formulering: ‘Dat we van het land ook schoonheid kunnen oogsten, dat weten we al van oudsher, maar wordt de laatste tijd meer dan eens uit het oog verloren.’

Tegelijkertijd heeft Leopold het (net als Feline) over het geven en nemen in relatie tot de natuur (‘toen een van onze verre voorouders de schop uitvond, werd hij een gulle gever: hij kon een boom planten. En toen de bijl werd uitgevonden, werd hij iemand die ook nemen kan: hij kon de boom omhakken’). In relatie tot het voorgaande komt daarbij de vraag op: als we zoveel schoonheid oogsten, nemen, van de natuur, kunnen we dan ook schoonheid teruggeven als we in de natuurlijke ruimte kunst maken? Dit gaf een andere intentie, een andere betekenis, in de onderzochte fysieke beweging  van het graven en de muzikale, sonische onderzoeken met de stem op zowel “personage” als makers-niveau. 

Weggraven en wortelen

Beeldend startpunt voor An Elegy is het beeld van een koor dat zichzelf weg graaft in zand terwijl het door blijft zingen en hoe die fysieke handeling, de duur en uitputting, maar ook de wind en de aarde invloed hebben op de stemmen en wat er wordt gezongen. Dit beeld heeft zich in wisselwerking met de locatie en de gesprekken en gedachtes gedurende week in andere richtingen ontwikkeld. Het is niet enkel een ingraven, het is ook een poging jezelf te planten, te wortelen of jezelf te geven aan de aarde. Ook het zingen kreeg hierdoor een andere betekenis, alsof het lied naar de aarde of het leven in de bodem werd gezongen in een poging schoonheid terug te geven.

Beeldend hebben we ons laten inspireren door een proza-gedicht van Eva Meijer uit haar essay Vuurduin over het verdwijnende landschap van Vlieland:

‘8 manieren om op te gaan in het landschap:

Heel lang stil staan.
De kleur van het landschap aannemen.
De vorm van het landschap aannemen.
Je ingraven (onderduiken, opstijgen)
Een onopvallend dier nadoen.
Erin verdwijnen (bijvoorbeeld ver genoeg weglopen of sterven).
Je metamorfose afwachten.
Zorgen dat het landschap zich op een dag naar jou voegt,
bijvoorbeeld door het land te bewerken.’

Het mooist werkte dit op de Peer Gynt plak, de plek die veruit het meest tot ons sprak, waar deze ‘pogingen’ in de wijsheid, diepte en poëzie van die plek voor een aandacht zorgde waarin alles tot leven kwam, en Els en Annabel op een gelijkwaardige manier naast elkaar bestonden met al het andere wat er te zien en te ervaren was.

Op (technisch) geluidsniveau zijn we ook erg blij met de ontdekking van het gebruik van megafoons om de stem te kunnen versterken op grote afstand, met behoud van de mobiliteit en bewegelijkheid van het menselijke lichaam waar de stem uit voortkomt (anders dan bij een PA systeem met gefixeerde speakers). Ook de afwisseling met de analoge stem geeft hierbij veel. Dit hadden we, net als de beelden die we hebben gemaakt, nooit aan een tekentafel of in een studio kunnen ontdekken.

De Werkplaats heeft het zo mogelijk gemaakt om te maken hoe we dat het liefste doen en hoe, wat ons betreft, locatiewerk gemaakt moet worden: zo vroeg mogelijk op en zo veel mogelijk met de locatie. Met de knieën in de modder en met zand onder de nagels.

De voorstelling An Elegy speelt op Oerol 2026.