
Geïnspireerd op de voorstelling Gendermonologen: een genderdialoog. Tussen een Japanse oester en een zeeslak, want die zijn minstens even vloeibaar als de mens.
Tekst: Jantine Jongebloed | Beeld: Lisa van der Rhee
Ik weet niet of een zeeslak kan praten maar zo ja, dan zou hij zich voorstellen als Chromodoris reticulata of Elysia chlorotica. Want zo heten ze bijvoorbeeld. Misschien bestaat zijn voorstelling niet uit woorden maar uit daden. Misschien zou hij zijn glibberige slakkenhoofd uit zijn huis naar voren steken en u groeten met een buiging. De zeeslak is een hermafrodiet (een vrouwtje én een heertje in één lichaam) en dus geen hokjesdenker, al draagt hij zijn hokje altijd bij zich dus in zekere zin is hij het toch, als hij denken kon tenminste. (Misschien kan de zeeslak wel denken maar ik probeer minder te googlen en factchecken want facts zijn overrated en sommige dingen zijn te leuk om aan je verbeelding over te laten).
Een zeeslak zoals de wulk (een hele mooie grote) verstopt zich in zijn huisje als hij iets te spannend vindt. Hij sluit zijn opening met een klepje helemaal volledig af en doet dan alsof-ie niet thuis is. Een safe space om in te verdwijnen als er gevaar op de loer ligt. Nooit discriminatie of uitbuiting want zeeslakken pesten niet, zoals mensen, maar gevaar in de vorm van een natuurlijke vijand als de kreeft, of de mens, want wulken eindigen in Normandië en Bretagne regelmatig in een restaurant in een mensenmond (en dan in een darm, in een wc, in een riool, in een rivier, in de zee, terug bij zijn familie). Maar die kant wil ik nu niet op. Het gaat juist over voortbestaan, niet over sterven, over geslacht, transitie en gender.
Om op dat punt te belanden is het belangrijk om te weten dat sommige zeeschelpen massa-orgies houden want ze lusten er wel pap van. Ze spuiten hun miljoenen spermaklodders en eicelballen regelrecht de wilde zee in, waardoor het water troebelig melkig wordt en zwemmende mensen het strand op rennen, zich een weg uit het vieze water banen, niet bewust van het feit dat ze onbedoeld een exhibitionistisch onderdeel van dit orgasmefeestje waren. Maar zeeslakje wulk doet niet aan orgies, die heeft mannelijke én vrouwelijke geslachtsorganen en bevrucht zichzelf of zijn partner simultaan twee kanten op. Gezellig samen. Met z’n tweetjes. Twee bevruchtingen op een kussen, daar slaapt de duivel heus niet tussen.

Als de wulk en de Japanse oester elkaar zouden ontmoeten en zich verstaanbaar konden maken, zou er iets bijzonders gebeuren. Verbeeld je het maar. Als Japanse oesters konden praten zou de oester met de mooiste stem een stem hebben die op die van Guy Corneille van De Dansers zou lijken (maar dat terzijde). De oester zou met haar zangerige stem de slak uit zijn schulpje lokken en vertellen dat zij als man geboren werd en nu een vrouw is geworden, want oesters veranderen na een paar jaar van geslacht, net als sommige mensen. Oesters transformeren van man naar vrouw, nooit andersom, ik wil niets insinueren maar misschien is vrouw-zijn het einddoel, het hoogste goed. Wat de werkelijke reden van deze transitie is, dat laat ik in het midden, sommige dingen kun je beter niet googelen, soms is een insinuatie beter. (Maar ik zal niet in hokjes denken, ik zal proberen het los te laten).
De wulk zou de oester vertellen dat hij niet al zijn hele leven tweeslachtig is. In de jaren ’90 ontdekte de mens dat ze hermafrodieten waren geworden. De oorzaak bleek tributyltin, een goedje waarmee vroeger scheepsrompen werden geverfd. De wulk z’n hormonen raakten er compleet door van slag. De wulk zou de oester vertellen dat hij met zijn nieuwe dubbele geslacht zijn seksleven opnieuw heeft moeten uitvinden maar dat 1 + 1 uiteindelijk een 3 is geworden.

De oester zou misschien verlangen non-binair te worden. Hoewel misschien alleen de mens kan denken dat andere wezens ook willen veranderen (of eindelijk zichzelf willen worden) terwijl ze verandering ook zo vaak zo spannend vinden. De wulk zou zijn intersekse omarmen en de oester sussen, haar kleppen zachtjes op elkaar duwen – sst sst rustig maar – en wijzen naar het fonkelende zeevonk in de golven net voorbij de branding. Niets vinden, niet raar opkijken, niet wijzen. Niet de mens zijn. Gewoon deinen, gewoon zijn. Fluïde als de zee, telkens anders, altijd kalm.
Met dank aan het boek Noordkrompen, zee-engelen en koffieboontjes – een schelpenboek (Koos Dijksterhuis) voor de oester- en zeeslakfeitjes (omdat sommige dingen wél leuk zijn om te factchecken). Aangeschaft bij boekhandel Funke, in West!
