Binnen mijn familie wordt Terschelling ook wel het beloofde land genoemd. Ik kon er niet voor kiezen om er geboren te worden, maar ik kan er wel voor kiezen om mijn leven er te eindigen. Dat bedoel ik niet op gruwelijke, suïcidale wijze, ik bedoel dat ik er mijn uitvaart zou willen houden. Dit is een verslag van een poging mijn eigen einde te regisseren, als aspirant theatermaker.
Het moet een jaar of tien geleden zijn geweest dat een vriend vertelde dat zijn vaders as hier is uitgestrooid, bij het wad naast de Wierschuur, het laatste huis op dit eiland, helemaal in Oosterend. Misschien is er toen een zaadje geplant om iets soortgelijks te willen. Hier mijn einde vinden. Iedere vastelandbewoner die Terschelling in zijn hart heeft gesloten moet iets van kolonisatieschaamte voelen. Ik weet wel dat dit eiland mij niet toebehoort, maar toch voelt het zo. Misschien mag ik ook een vierkante meter? Terschelling en Oerol spelen een rode draad in mijn leven. Mijn opa danste op zijn tachtigste nog tot vijf uur ’s ochtends op blote voeten in de muziekcafé de Vijfpoort, en als mijn man en ik het geld dat we hebben uitgegeven aan vakanties op Terschelling hadden opgepot, hadden we inmiddels een vakantiehuis op dit eiland kunnen kopen. Ik bedoel maar.
Vandaag fiets ik het eiland over op zoek naar de beste plek om begraven of uitgestrooid te worden, nadat er (over een jaar of zestig of zo) een boot vol vrienden en familie aanlegt om afscheid van me te nemen. Mijn uitvaart moet maar een soort mini-Oerol worden, met feest en tranen, een kater, en met slaap die nodig ingehaald moet worden.
Ik begin pal naast het redactiehuis. Op de begraafplaats van de hervormde kerk van Midsland. De zon schijnt heet, ik kijk door het hek naar de graven en zie op een grafsteen een man in kleermakerszit picknicken met twee bakjes trostomaten naast zich.
Hervormde kerk in Midsland
(53.3829088, 5.2856167)

Ik zie de graven van Trijntje en Teunis, van Rimkje en Jaakje, en de familie Doeksen ligt pontificaal vooraan. Ik weet niet of ik mezelf hier naast hen in de grond zie glijden, zo tussen de eilanders die hier veel meer horen. Het voelt veel te veel als kapen. Ik besluit verder te fietsen met muziek in mijn oren. Ik start de Canto Ostinato van Simeon ten Holt — het speelde ook tijdens mijn bruiloftsceremonie.
Als ik het Landerumer Burenpad op fiets en het eenzame huisje met de theatrale boom in de verte zie, met die driftige Canto in m’n oren, moet ik al huilen. Niet omdat ik doodga straks, maar omdat ik er zo weinig bij stil sta. Opeens zie ik alles voor me. De mensen die komen, de mensen die niet komen, en deze solitaire boom, als enige boom in een straal van minstens 500 meter, aan een pad tussen de hoofdweg en de Waddendijk.

Ik fiets verder naar de dijk, trotseer de schapen op de helling, en bovenop gekomen zie ik rechts de Brandaris, altijd, geruststellend aanwezig, niet bewegend, als een 53 meter lang herdenkingslicht.
Ik sla rechtsaf en sta stil bij de Strieper Kwelder, een inham in de Waddenzee met afgewisseld natte en dan weer dorre vlaktes zoals in Namibiü maar dan gewoon in Nederland. Met zeven soorten groen en ook nog grijs en rood en beige en een uitzicht waar niks geblokkeerd wordt. Is het fijn om tijdens het herinneren zo ver te kunnen kijken?
Strieper Kwelder
(53.3761761, 5.2945039)

Misschien is dit de plek. Dan hoeven mijn twee zusjes, in de negentig tegen die tijd, oud en krakkemikkig (maar nog steeds zo grappig) geen klapstoeltjes mee te nemen als ze hier naartoe komen om mij te herdenken. Ze kunnen rusten op de bankjes die hier al voor ons zijn neergezet.
Op het bankje bij de kwelder zie ik twee oude vrouwen zitten (het zouden mijn zussen kunnen zijn in 2083). Ik probeer mezelf geen pathetiek te verwijten. Ik wil niet cynisch zijn. Natuurlijk is fantaseren over je eigen dood een ego-achtig gebeuren. Maar er niet over fantaseren is ook iets ontkennen.
Met windmee fiets ik naar West-Terschelling. Ik pauzeer mijn uitvaartmuziek en lunch op het terras bij Pura Vida. Ik kom een Oerol-vrijwilliger tegen die vertelt dat zijn ‘nep-oma, mevrouw Lorrie’ ook uitgestrooid wilde worden op Terschelling. Toen hij haar eens vroeg waarom, was haar antwoord: omdat ik daar nog nooit geweest ben. Haar wens is inmiddels uitgekomen. Ik moet lachen. Misschien moet ik me in Alblasserdam laten begraven.
Paviljoen De Walvis
(53.3569727, 5.2110165)

Omdat ik dit jaar Hoofd Lokroepjes ben, een eretaak binnen de dagkrantredactie, check ik of er vandaag al mooie berichtjes zijn binnengekomen. Ik lees het eerste bericht van de dag en mijn adem stokt een beetje. ‘Lieve zus, het 2de jaar een Oerol zonder jou. Het voelt raar dat je er niet meer bent. Muziek was je passie en lekker dansen. Nu met het mooie podium op het strand, waar jij je laatste rustplaats kreeg, ben je er toch heel erg bij. En dat voelt heeeel fijn.’
Zie je, het kan. Oerol vieren, herinneren, verdrietig én blij zijn, alles tegelijk.
Uitzichtpunt Seinpaalduin
(53.3583343, 5.2104857)

Ik loop een juwelier in de Boomstraat binnen en schuif een ring om mijn vinger die meteen past. Zilver, met drie zwarte ronde stenen. Op de pagina over de onyx lees ik: ‘Onyx kan u in de toekomst laten kijken en met zijn vermogen om persoonlijke kracht te geven vergemakkelijkt het uw lot in eigen hand te nemen.’ Ik geloof dat dit niet helemaal de steen is die ik zocht maar vooruit.
Ik stuif het uitzichtduin weer af en loop via de oude klinkers van de Commandeurstraat naar museum ’t Behouden Huys hier in het dorp, waar Anemoon Elzinga werkt. Zij was tot voor kort uitvaartbegeleider op dit eiland. Op dit moment ontwikkelt ze samen met haar man een rouwpad, een pelgrimspad van zo’n 75 kilometer over Terschelling.
Anemoon en ik lopen een rondje samen, naar de Waddenzee en terug. ‘Als uitvaartbegeleider heb ik best regelmatig mensen gesproken die niet ziek waren, niet de dood in de ogen keken, en met mij wilden praten over hoe ze hun uitvaart voor zich zagen. Nadenken over de dood is nadenken over het leven, want het gaat over wat je belangrijk vindt. Hoe wil ik herinnerd worden? vind ik een mooie vraag. Daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen.’
Ze vertelt dat haar man haar ooit ten huwelijk vroeg op een duin, en dat toen hun kinderen veel later wilden weten op welke duin het was, ze op zoek gingen, maar ‘m niet meer konden vinden. ‘Het landschap hier is continu in beweging, duinen verschuiven en verstuiven en veranderen en groeien. Dat is toch juist het mooie ervan.’
Misschien kan ik mijn regisseerdrang begraven, niet ook na mijn sterven nog iets te zeggen willen hebben, maar de dood wat meer aan het leven overlaten: erop vertrouwen dat mijn vrienden het wel weten. Ik wandel langs een bankje waarop staat: ‘Ik val niet, ik dans.’ Loslaten hoeft niet altijd vallen te betekenen.
De eilanderwandeling Nineties bewandelt: een lopend gesprek met eilanders van Nineties Productions wandelt op zaterdag 17 en zondag 18 juni nog een wandeling.
