Ze werkt aan een audiowandeling door het landschap van Landerum en Striep als oefening in overgave. Een visuele meditatie en een aanspraak op onze verbeeldingskracht. Onderstaande tekst begint op het punt in de route waarop de bezoeker is opgedragen naar zijn eigen dode lichaam te kijken terwijl dat ligt opgebaard. Daarna trekt de rouwstoet naar de Waddendijk.
Wat betekent het om dood te gaan, om dood te zijn? Oerols Werkplaats-resident en schrijver Jantine Jongebloed onderzocht het op het eiland. Ze werkt aan een audiowandeling door het landschap van Landerum en Striep als oefening in overgave. Een visuele meditatie en een aanspraak op onze verbeeldingskracht. Onderstaande tekst begint op het punt in de route waarop de bezoeker is opgedragen naar zijn eigen dode lichaam te kijken terwijl dat ligt opgebaard. Daarna trekt de rouwstoet naar de Waddendijk.
Kijk, de zee. Daar is ze. Ze neemt jouw lichaam zo mee. Je geliefden wandelen met je dode lichaam de dijk af, naar het wad, naar de rand van het water. Er zijn speeches, anekdotes. Ze herdenken je en geven woorden aan wie je was. Iemand lacht uitbundig. Iemand anders is stilgevallen. En er is een iemand die niet weet waar-ie het zoeken moet.
Alles wat jij nog wilde doen: dit is het. Alles wat jij nog te zeggen had: het is te laat.
Iemand niet meer vastgehouden, iets niet bijgelegd, geen liefde verklaard, niet door elkaar geschud, niet gekust, niet verlaten, niet meer, nooit. Het gaat niet meer gebeuren.
Het is klaar. Maar jij hoeft niet bang te zijn. Want je bent al doodgegaan.
Daar ga je.
Kijk maar.
Ze laten je los.
Je bent vrij nu.
Je vangt nog een glimp op van jouw mensen, een mimiek. Iemands stemgeluid. Glimlach maar naar ze. Roep desnoods. Je gaat ze hierna nooit meer zien, vanaf nu ben jij het. Alleen in de dood.
Misschien kijk je nog even naar het water. Daar drijft je lichaam. Verlaten.
Jij gaat vormeloos verder.
Misschien herinner je je nog de benen die je droegen, al die kilometers, naar al die plekken. Je bonzende, bonzende hart, dat blije, bange hart, dat zoveel slagen door bleef pompen. De haartjes op je armen, boven je lip, op je billen. De vlekken, putten, de trekjes in je mondhoek. Dat hoofd dat soms zo helder was en soms zo erg van slag. Je buik, je borst, je longen die zich vol zogen met lucht, je lippen. Je droge mond, je keel, je tong, die soms een keer extra slikte als het spannend werd. Die handen die zo veel handen vasthielden, vingertoppen die zoveel hebben afgetast, zo veel andere lijven hebben aangeraakt, hebben vastgepakt. Dat lijf dat jou heeft gediend, dat haperde, dat ziek was, dat gestreeld werd, dat je vervloekt hebt, dat je geknepen en ingezeept en besnuffeld hebt. Dat lijf dat er gewoon al die tijd maar was. In al z’n hoedanigheid. Dat lijf is weg.
Nu je lichaamloos bent, los van aardse beperkingen, voelt het misschien helderder hoe het is om dood te zijn. Is het niets zien, niks voelen? Is het woest-zacht-lang-krap? Is het leeg? Is het vrij? Is het donker? Is het rust? Is het groot? Is het mooi? Is het stil? Is het: afwezigheid? Waar niks is en jij ook niet bestaat. Hier is alles en iedereen onzichtbaar.
Onaanraakbaar. Onnavolgbaar.
Amorf. Amorf. Amorfata morgana.
Welkom in het niet-zijn.
*
Deze tekst werd op vrijdag 20 juni voorgedragen tijdens de talkshow De diepte in met Lin An Phoa op festivalhart de Deining.



