Terwijl Oerol steeds dichterbij komt, werkt Romke Gabe Draaijer toe naar een bijzonder moment: de première van De Oare Kant. Op het festival presenteert hij zijn eerste theaterregie voor Tryater — het gezelschap dat hij inmiddels zijn “tweede thuis” noemt — én sluit hij een persoonlijk drieluik af waarin hij de afgelopen jaren zijn eigen makerschap onderzocht.
Met De Oare Kant presenteert Draaijer het slotstuk van dat drieluik, waarin thema’s als identiteit, schaamte en queerness centraal staan. De drie voorstellingen zijn afzonderlijk van elkaar te bekijken, maar vormen samen ook een persoonlijk onderzoek naar wie hij is als maker.
De voorstelling volgt een vrouw die achterblijft wanneer haar man na een lang huwelijk uit de kast komt — een perspectief dat volgens Draaijer zelden centraal staat.
“Vaak gaat alle aandacht naar degene die iets doorbreekt,” vertelt hij. “Maar ik werd juist geraakt door de vraag: hoe gaat het eigenlijk met degene die ‘achterblijft’?”
Een voorstelling die begon met één appje
Het idee voor De Oare Kant ontstond vanuit gesprekken. Voor zijn voorstellingen doet Draaijer artistiek onderzoek en interviewt hij mensen die ervaring hebben met het onderwerp.
“Uit die gesprekken ontstaan uiteindelijk scènes, dramaturgie en beelden.”
Voor De Oare Kant begon dat proces tijdens eerder vooronderzoek voor zijn voorstellingen Pinokkio lost time en Morphosis, waarin hij mannen interviewde die pas later in hun leven uit de kast kwamen. Eén van die gesprekken werd uiteindelijk het startpunt voor deze voorstelling.
“De vader van mijn beste vriendin kwam na een huwelijk van 34 jaar uit de kast. Ik interviewde hem daarover. Niet veel later kreeg ik een bericht van zijn vrouw: ‘Je zou mijn verhaal eens moeten horen.’ Dat kwam echt binnen. Toen wist ik meteen: hier wil ik een voorstelling over maken.”


Die persoonlijke verhalen vormen nog altijd de kern van de voorstelling.
“Sommige teksten zijn letterlijk gebaseerd op wat mensen verteld hebben. Soms zit het in één klein zinnetje of detail. Juist daarin zit vaak iets heel pijnlijks, moois of menselijks.”
Volgens Draaijer keert in zijn werk vaker eenzelfde soort zoektocht terug: mensen die ergens in vastzitten, zichzelf opnieuw moeten bevragen of proberen los te breken uit een bestaande werkelijkheid.
Werken vanuit beelden en beweging
Voor Draaijer begint het maakproces meestal bij beelden, associaties en fysieke scènes — ook bij De Oare Kant.
“Ik werk heel zoekend,” vertelt hij. “Sommige makers beginnen aan tafel met tekstanalyse, maar ik denk eerst in beelden. Dan zeg ik bijvoorbeeld: ik wil iets onderzoeken rondom vasthouden en loslaten. Vanuit daar gaan we de vloer op en beginnen we gewoon met maken.”
Die werkwijze ontwikkelde hij tijdens zijn masteropleiding, waar hij ontdekte dat hij graag vanuit intuïtie en beeld werkt.
“Ik teken veel tijdens het maakproces,” zegt hij. “Niet omdat ik goed kan tekenen, maar omdat het helpt om beelden en gevoelens tastbaar te maken.” Voor Draaijer zit juist in dat zoeken de essentie van maken. “Ik probeer het niet-weten te omarmen. Daar zitten juist de diamanten.”
Die fysieke benadering zie je ook terug in de voorstelling zelf, die wordt omschreven als een ‘fysieke en visuele trip’. Volgens Draaijer ontstond dat vanuit de verhalen van de mensen die hij interviewde.
“Veel mensen omschreven het alsof hun wereld ineens 180 graden kantelde,” zegt hij. “Alsof de grond onder hun voeten wegviel. Dat gevoel wilden we voelbaar maken voor het publiek — alsof je even met iemand meeloopt door diens gedachten.”
Daarom speelt dans een belangrijke rol in de voorstelling. Voor De Oare Kant werkt Draaijer onder meer met waacking, een expressieve dansstijl die ontstond in de queer clubs van Los Angeles.
“Waacking gaat heel erg over zelfbevrijding en jezelf durven laten zien,” vertelt hij. “Dat paste inhoudelijk perfect bij deze voorstelling. Bovendien heeft die stijl iets heel filmisch en theatraals.”
Fries als bewuste keuze
Het Fries groeide tijdens het maakproces uit tot een bewuste artistieke keuze. Vanuit zijn eerdere werk en sterke band met Friesland noemt Draaijer het zijn “art world”: de plek van waaruit hij maakt.
“Vorig jaar zag ik tijdens Oerol weer een Friese voorstelling en dacht ik: wat heerlijk om die taal hier te horen, midden in zo’n internationale context. Fries hoort óók op zo’n festival thuis.”
Volgens hem maakt de taal het verhaal juist persoonlijk en universeel tegelijk.
“Het verhaal vertrekt vanuit een Friese context, maar gaat uiteindelijk over verlangens, liefde, verlies en verandering. Dat begrijpt iedereen.”
De voorstelling wordt volledig in het Fries gespeeld, met Nederlandse ondertiteling, zodat ook niet-Friestalige bezoekers het verhaal goed kunnen volgen.
“Dit voelt als mijn makerschap”
Met De Oare Kant rondt Draaijer een trilogie én een persoonlijke zoektocht naar zijn manier van maken af. Tryater speelde daarin een belangrijke rol: het gezelschap ondersteunde hem eerder in de eerste twee delen van het drieluik en gaf hem via het nieuwe makers-traject de ruimte om nu voor Oerol zijn eerste grote theaterregie te maken.
“Ik denk dat dit de eerste voorstelling is waarin alles samenkomt. De interviews, het fysieke werken, tekst, beeld, dans — dit voelt echt als mijn makerschap.”
Ook inhoudelijk ziet hij de voorstelling als een uitnodiging om bestaande normen te bevragen. Niet alleen rondom seksualiteit of relaties, maar breder: over verlangens, dromen en de verwachtingen die mensen van zichzelf en elkaar hebben.
“Waarom spreken we sommige verlangens niet uit? Waarom blijven bepaalde normen bestaan? Dat soort mechanismes interesseren me enorm.”
En hoewel hij de spanning richting de première duidelijk voelt, overheerst vooral trots.
“Ik weet nog niet hoe mensen het gaan ontvangen. Maar ik weet wel dat ik iets gemaakt heb dat heel dicht ligt bij wie ik ben als maker.”



