Iris Lam worstelt met de vraag of ze zelf wel raar genoeg is

Iris Lam worstelt met de vraag of ze zelf wel raar genoeg is voor haar eigen ode aan de rare vrouw — een crisis die uitmondt in een mat bij de kapper en een inzicht over vrouwelijke conditionering.

Mijn moeder reageerde afkeurend toen ik vertelde dat ik op Oerol zou zoeken naar rare vrouwen. ‘Je mag mensen toch niet zomaar raar noemen?’

Zoals wel vaker waren mijn moeder en ik het oneens. Mijn moeder is een rare vrouw, en dat is een compliment. Rare mensen wijken af van de norm, ze erkennen de absurditeit van het leven en nemen zichzelf niet te serieus. ‘Ik ben zelf ook raar en daar ben ik trots op,’ zei ik pinnig, ‘dus ik mag best een ode brengen aan de rare vrouw’. In de dagen daarna bleef haar kritiek in mijn hoofd spoken. Geleidelijk bekroop mij de twijfel: mag ik dit wel doen? Ben ik zelf wel raar genoeg?

In bed oefende ik stilletjes mijn antwoorden als mensen mij zouden vragen: waarom ben jij zelf dan een rare vrouw? Ik zou kunnen zeggen dat ik in een sekte ben opgegroeid, en als kind in tongentaal demonen uitdreef op een Roemeense vuilnisbelt. Maar ja, maakt dat mij raar? Mijn niet-zo-gemiddelde jeugd is vooral te wijten aan de opmerkelijke levenskeuzes van mijn ouders.

Misschien kon ik het gooien op mijn bijbaan bij een sekslijn, maar in werkelijkheid waren daar vooral de mannen die mij belden raar. En sekswerk ‘raar’ noemen draagt bij aan het stigma waar ik juist zo op tegen ben.

Steeds meer raakte ik vervuld van de angst niet raar genoeg te zijn. Ik sliep er slecht van, en overdag vroeg ik telkens panisch aan mijn vriendin en huisgenoten: wat maakt mij raar? ‘Alles,’ zei mijn huisgenoot. ‘Dat je laatst wilde dat ik je kut scheerde in bed met een tondeuse en de haren daarna van je afstofzuigde,’ antwoordde mijn vriendin droogjes. Dat was inderdaad wel raar, alleen zou het misschien niet een geschikte anekdote zijn om aan een vreemde te vertellen (die ik nog wilde interviewen) als die zou vragen wat mij dan raar maakte.

Het moest raar zijn, maar niet belastend. Nerveus ijsbeerde ik door het huis. Ik dacht aan de rare vrouwen in mijn omgeving, wat maakte hen raar? Vaak waren ze raar op een performatieve manier, in hun uiterlijk of kunst. De enige keer dat ik raar was op een dergelijke wijze, was toen ik voor een schoolproject een enorm reetkostuum had gemaakt, waarin ik samen met mijn vader schuifelend de Haagse tram nam naar de McDonald’s, waar we elkaar dwangvoerden met Happy Meals. Dat was wel raar. Maar kon ik mijn raarheid ophangen aan één kunstproject? Was dat wel genoeg?

Zo tobde ik dagenlang, tot ik, ten einde raad, de hoofdredacteur van de Dagkrant opbelde om te zeggen dat ik overspannen was en waarschijnlijk niet kon komen. Hij reageerde heel lief en begripvol, waardoor ik me onmiddellijk realiseerde dat dit wel héél raar was, en hem de volgende dag opnieuw opbelde om te zeggen dat ik misschien toch wél kon komen. Ik besloot dat het wijs was de kwestie te parkeren, misschien zou de raarheid nog als een wonder op mij neerdalen, of misschien hoefde ik ook niet zó raar te zijn om een ode te brengen aan de rare vrouw, maar kon ik dat ook doen als een wannabe-rare-vrouw. Ik nam een paar dagen vrij en probeerde te ontspannen, terwijl het vraagstuk ondertussen bleef sluimeren in mijn achterhoofd.

Op een ochtend in mijn woongroepkeuken, zei een huisgenoot: ‘Ik ga zo naar de kapper.’ ‘Neem een mat!’ riep iemand anders. Maar dat wilde hij niet, want dat zou zijn moeder raar vinden. En toen trof het me, als donderslag bij heldere hemel… een mat! De rare mannen hadden hun snorren, maar ik kon een mat nemen! De mat zou misschien niet de oplossing zijn van al mijn problemen, maar in ieder geval een waas van abnormaliteit rond mij doen opstijgen, die het minder verdacht zou maken als ik vragen over mijn eigen raarheid zou ontwijken. Bovendien zou het me misschien wel goed staan, mijn broertje had al een paar keer gezegd dat ik mijn haar in een mat moest laten knippen. ‘Zal ík anders een mat nemen?’ vroeg ik zo terloops mogelijk aan de keukentafel. ‘Ja!’ Klonk het enthousiast, alleen mijn vriendin bleef angstvallig stil, maar daar liet ik mij niet door tegenhouden. ‘Bel de kapper!’ want het moest snel gebeuren, vóór mijn lafheid weer vat op mij zou krijgen.

Uiteindelijk ben ik best tevreden met mijn mat. Wel vraag ik me af of rare mannen ook twijfelen of ze wel raar genoeg zijn. Goede kans dat ik mijn zelfbeklag te danken heb aan mijn socialisering als vrouw: mijn calvinistische conditionering als lief, bescheiden meisje, die het in de eerste plaats lastig maakt om onaangepast, lomp en raar te durven zijn. En vervolgens ook nog zorgt voor een existentiële crisis met betrekking tot falen in het raar-zijn zelf. Kortom, het is weer eens behoorlijk gecompliceerd om een vrouw te zijn: des te groter het belang de rare vrouw eens goed te verheerlijken.

*

Ben je zelf een ‘rare vrouw’ of ken je iemand die een ‘rare vrouw’ is? Mail maar [email protected] en Iris komt polshoogte nemen.