Jaimy Hindriks (32), de kers op mijn rare taart

Dichter en rare vrouw Jaimy Hindriks zag mijn Lokroepje in de Dagkrant en dacht: dit gaat over mij. We spraken af om samen naar De Gestampte Meisjes te gaan, twee rare vrouwen die stampend zingen over zaken als ponyrijden, complotdenkers en abortus.

Carolien (mijn eerste rare vrouw) haakte ook aan. Zij en Jaimy bleken elkaar te kennen, en stilletjes vroeg ik me af of ik nu misschien was toegetreden tot een geheim Oerol-bolwerk van rare vrouwen. Het was druk bij de Gestampte Meisjes, en om vindbaar te zijn hield ik een roze bord omhoog waarop stond: RARE VROUWEN HIER MELDEN. ‘Dat gaat zeker over ons,’ zeiden de Gestampte Meisjes tijdens het soundchecken. Een man stootte zijn vrouw aan: ‘Lieverd, je moet je daar melden!’ De vrouw nam een hap zand.

Op het strand vertelde Jaimy me de geschiedenis van haar raar-zijn.

Trigger warning: dit verhaal gaat in grafisch detail over abortus.

‘Ik ben altijd al wel raar geweest, heb me altijd vervreemd gevoeld van andere mensen en van de tegenstrijdigheden in onze samenleving, maar de eerste keer dat ik mijn raarheid bewust heb ingezet was tijdens een schoolkamp in groep acht. In de slaapzaal lag ik, helemaal verkrampt, tussen de dolende zaklampen en de giebelende meisjes. Ik durfde niet mee te roddelen over de jongens. Ik wilde er best bij horen, maar ik wist gewoon niet waar ik moest beginnen. Mijn spanning bleef maar stijgen, tot ik uit het niets overeind schoot en riep: “Rik heeft zich laten pijpen door een kat!”

Een heel rare actie, en het had natuurlijk niet het effect waar ik op hoopte. De meisjes negeerden mij, best tragisch, maar toch was het een sleutelmoment. Misschien omdat ik eindelijk iets had durven zeggen waarmee ik recht deed aan wat er in mij speelde. Op dat moment ontsproot er in mij een soort kracht waartoe ik daarvoor nog geen toegang had.

Vanaf dat moment werd mijn leven een aaneenschakeling van raarheid, maar mijn raarste verhaal is misschien wel van die keer dat ik na tweehonderd kilometer fietsen ontdekte dat ik drie maanden zwanger was. Ik heb toen een abortus gehad. Na de ingreep vroeg de verpleegkundige of ik mijn embryo mee naar huis wilde nemen, op sterk water. Nog wazig van de narcose grapte ik: ja hoor, leuk voor in mijn rariteitenkabinet. Weer thuis en ontnuchterd bekeek ik de embryo in het potje, een propje vlees, er zat een heel klein handje aan dat naar me zwaaide, creepy. Ik werd niet gelijk anti-abortus, maar het deed me toch wel iets. En wat moest ik er nou mee? De mogelijkheid om je embryo mee naar huis te nemen is er zodat vrouwen afscheid kunnen nemen, maar voor mij was die hele abortus niet zo’n ding, alleen mijn embryo in de prullenbak gooien vond ik ook weer zoiets. Ik besloot het probleem uit te stellen, en zo heeft de embryo maandenlang in mijn boekenkast gestaan.

Uiteindelijk ben ik naar Texel gereisd en heb ik de embryo begraven in de tuin van Jan Wolkers. Zijn boeken zijn belangrijk geweest in het omarmen van mijn absurdisme, en ik denk dat hij mijn daad vanuit de hemel kan waarderen. Misschien is absurdisme niet in elke situatie de meest handige strategie tot verbinding, maar de mensen die overblijven passen bij mij.’

Met haar absurdistische gedichten stond Jaimy vrijdagavond bij Mensen Zeggen Dingen: hier een fragment uit Jaimy’s gedicht over haar embryo:

Ik ga op reis naar Texel en neem mee
een embryo op sterk water
Die ik in de achtertuin van Jan Wolkers
ga begraven, dus hier zit ik dan
In het heilige gras
Graaf een gat met het lepeltje
dat ik heb gejat bij een lunchcafe
waar we met tegenzin
zuurdesem brood met hummus aten