Openingsgedicht: Oerol is een taal

Hoe kun je je thuisvoelen in een taal? Lees de poëzie van dichter, kunstenaar en – dit jaar – Dagkrantredacteur Sanne van Balen, voorgedragen tijdens de opening van Oerol.

Als Oerolbezoeker hoor je de drie Friese dialecten van Terschelling zelden, want wie zou er nou in het Aasters of Meslanzer tegen je beginnen? Tegen elkaar is het al lastig. Hoeveel mensen spreken het Westers nog? Ze zijn er wel, de sprekers. Je moet goed luisteren. En Oerol biedt die mogelijkheid. Oerol geeft ons de woorden om elkaar te verstaan, in de verbeelding, tussen de regels, buiten de gebaande paden.

Oerol is een taal

neem wat losse klinkers als ondergrond en klop het zand eruit
wyt of wiid, wiet mag ook
kies een onderwerp, een persoonsvorm
ik do dou dy sy hy wy
dan komen de werkwoorden om te voegen, smeer ze uit
ik foeg, do foegst, wy foege
druk stevig aan met lidwoorden
de dy it ut
doe alsof je thuis bent, zeggen ze
sliinsk, snokker, simmerblomke*
je verstaat het niet
sân, wetter, wyuwk, horp
hoe kun je je thuis voelen in een taal
die overal, vanaf het moment dat je de zee betreedt, begint het al
vanaf dat de overkant de overkant is
en wat voor taal, een van geven en nemen misschien van
ik eb en jij ebt en hij vloedt en wij vloeden

een taal is hoe je een huis meedraagt in een koffer of een bolderkar
een rugzak die net te zwaar is maar dat geeft niet, een thuis mag best iets wegen

een taal die je aan kunt trekken, zo ruim als een poncho, de vacht van een schaap

een taal als een cirkel, geen vlakte maar kustlijn, opgerekt en langs de horizon gelegd, het
ligt op het puntje van je tong

een taal die je zelf hebt meegenomen, naast de zonnebrand in je tas, je was het even
vergeten maar je blijkt toch nog wat te verstaan, de wind fietst met jou mee vandaag

een taal die door de nacht zwenkt als een vuurtoren, lichtvlak na lichtvlak op een wang, de
noordkant van een duin, zacht ‘je bent me wat’ zegt

een taal die bestaat uit een set haringen, scheerlijnen en een fleecejas, een pinpas

een taal van namen, ik stel mezelf voor in de tweede persoon, jij jezelf een ander, wie
bewoont mijn zinnen

een taal die zich vermomd heeft als vraag

een taal die zich voordoet als vandaag

vandaag is je thuis een eiland
en vandaag is een ruimte
vandaag is die ruimte overal is een woord voor
een beter woord voor ruimte is omgeving
zoals het heelal niet eindig is ergens omheen is, als een omhelzing een arm om een middel
een hand op jouw hand, als een windvlaag op je lippen, ik geef om je,
er zit ook geven in omgeving,
doe alsof je thuis bent, zeggen ze

ze zeggen ook: je thuis voelen in een taal begint pas
als je de wereld die erin uitgedrukt wordt, in je opneemt
ik neem, jij neemt, wij nemen
ik jo, do jogst, wy jogen

ze zeggen: er ligt een wereld aan je voeten
en jij zegt: maar de mensen nemen al zoveel,
een eiland
is geen eiland

het is belangrijk te
weten wanneer je te veel bent
en ook wanneer te weinig jezelf
met anderen omgeven
jezelf zijn als omgeving
het is belangrijk te weten
welke woorden er dan nodig zijn

sliinsk, snokker*, simmerblomke

er is een omgeving in onze taal ontstaan
een die je met woorden probeert te vullen
lêns
lengte –lange
rúmte
gat –van gatsjepan die het zeewater zeeft
leegte, een leemte
in stilte kun je niet vallen

als we elkaar alles uit kunnen leggen
als we elkaar alles kunnen zeggen
als we elkaar omgeven
is dat dan thuis
is het niet al overal?

 

* Zeer veel dank aan Rieuwen Groeneveld en Gerrit Doeksen en voor het noemen van deze inspirerende woorden. 

Walvisvaarder – Dagkrant 2026_liggend

Advertentie