Will hoorde het geraas voordat ze opkeek. Het geluid begon ver weg, kwam snel dichterbij, en werd steeds luider, als een straaljager die overvloog. Met een verschrikte blik zag ze een enorm ijzeren gevaarte razendsnel op zich afkomen. Terwijl het metalen, puntige object op haar afvloog, trok Wills leven in slow-motion aan haar voorbij. Op haar netvlies zag ze Aleid, als pasgeboren baby, in haar armen; haar vroegste herinnering. Wat had ze het bijzonder gevonden, een klein zusje. Ze zag zichzelf op de middelbare school, meer bezig met de jongens uit de klas en met de Lucky Strikes in de achterzak van haar jeans dan met de Franse woordjes die ze moest stampen. Ze zag zichzelf op kamers bij haar hospita, de verhuisdozen die ze nog moest uitpakken. Ze zag Mimi’s eerste stapjes, een heerlijk mollig kind in een roze aardbeienpakje; ze zag Mimi later, in de hoofdrol van de eindmusical van de basisschool; zelfs haar collega’s bij het Minderhouds Institute kwamen in een flits voorbij –
Abrupt eindigde haar gedachtestroom, toen iemand zich op haar wierp om haar te beschermen tegen de metalen staaf, die haar op het nippertje miste en met een oorverdovend gekletter op de houten vloer terechtkwam.
Het werd zwart voor Wills ogen.
Daarna: niets.
Ze moest eventjes het bewustzijn zijn verloren, want toen ze bijkwam lag ze op de grond en stond er een kring mensen om Will heen. Ze zag Aleid en Mimi’s bezorgde gezichten. Jack Spijkerman boog zich over haar heen.
Jack Spijkerman, van zo dichtbij!
Hoe lang lag ze hier al?
Wat was er precies gebeurd?
Verwilderd richtte ze zich op, terwijl Jacks blauwe ogen op haar gericht bleven. Naast haar lag de stalen constructie in een plas water. Pas toen besefte Will dat haar haren doornat waren, en haar linnen blouse aan haar torso kleefde.
‘Het was de fonteinbar*,’ zei Jack Spijkerman, met een zachte trek om zijn mond.
Door de heftige wind, windkracht negen, had de constructie het niet meer gehouden, en was de bar bezweken onder het gewicht van de vele liters water in de waterstraal op het dak, waar de fonteinbar zijn illustere naam aan ontleende. De ontredderde barvrijwilligers konden ternauwernood gered worden, maar de verlaten, stalen kolos vloog tientallen meters over het festivalterrein. De wind nam het water mee in haar vlucht.
‘Will! Will! Gaat het?’ Aleid knielde bij haar zus. Het was haar stem geweest die Will had gehoord voordat ze de staaf waarnam.
‘Mam!’ riep Mimi, die lijkbleek weggetrokken was.
‘Ze is oké,’ zei Jack Spijkerman, terwijl hij Will omhoog hielp en zijn hand even op haar schouder liet rusten.
Will stond wankel op haar benen.
‘Ik… ik…’ stamelde ze. Ze richtte zich tot Aleid. ‘Ik zag je als baby…’ kon ze nog net uitbrengen. Aleid bekeek haar zus. Er schemerde in haar verwarde blik ook iets anders door, zag Will. Will kende Aleid beter dan ieder ander, en zag in de ogen van haar zus iets onverwachts: een groot schuldgevoel.
*Noot van de redactie: de fonteinbar in dit fictieve werk komt niet overeen met fonteinbarren in de werkelijkheid. Deze fonteinbarren hebben de reputatie betrouwbaar te zijn.
Benieuwd waar Aleid zich schuldig over voelt? En hoe verloopt Wills ontmoeting met Jack Spijkerman? Lees het in het vervolg van Onrust aan de Waddenkust.




