Dit eiland, dit eiland, peinsde Will. Hoe was ze hier beland? Ze wilde de dingen achter zich laten. Even weg van haar bureau op het Minderhouds Institute. Maar vooral zo ver mogelijk weg van Hans. Terwijl Mimi haar kunstjes uitvoerde op de Oostpunt van het lange eiland, nipte Will aan haar glas fruitige Chardonnay op het terras, en staarde ze naar de af en aan rollende golven aan de kustlijn.
Theater.
Theater was voor haar als seks: men zei na afloop altijd hoe geweldig ze het hadden gevonden, maar Will wist wel beter. Waar Mimi haar interesse voor deze kunstvorm vandaan had gehaald, was haar moeder een raadsel. Mimi’s vader, Gerko, was fervent carnavalsvierder geweest, maar daar hield zijn creatieve talent ook wel op. Dat dacht Will tenminste; zeker weten deed ze het niet. Gerko had, toen Will in verwachting bleek, algauw de benen genomen. In haar herinnering zag ze hem, destijds, het einde van de jaren tachtig, de Muur zou bijna vallen, in zijn rood-gele carnavalsgilet, een trompet aan zijn getuite lippen, al toeterend de bar-dancing verlaten. Hij trompetteerde zo het vaderschap uit. Ze had hem nooit meer gezien. Mimi kende haar vader niet. Hoe anders was Hans! Zo verantwoordelijk. Zo betrouwbaar. Dacht ze. Had ze gedacht.
‘Heeft u een keus kunnen maken?’
Will werd abrupt uit haar mijmeringen gerukt. De frisse horecamedewerker keek haar aan met een verwachtingsvol gezicht. Deze jonge vrouw had het leven nog voor zich, dacht Will, toen ze naar de springerige, blonde paardenstaart keek. Wat een leven zat er in zo’n paardenstaart!
Op de grote zwarte menukaart waren de letters te klein. Waarom zo’n enorme menukaart, als de lettertypegrootte zich er niet op aanpaste? Ze greep naar haar leesbril. Will twijfelde tussen het schaaltje gemarineerde olijven en de XL antipasti-plank met bittergarnituur, kaasblokjes en charcuterie. XL voor een tafeltje voor één – nee, dat ging niet. Wat zou de serveerster er wel niet van denken. Misschien zou ze die XL-plank later bestellen, als haar zus Aleid ook aanschoof. Aleid had Will meegesleept, het toneeleiland op. Aleid was van hen tweeën altijd de ‘culturele’ geweest. Als kind al, dacht Will, en ze staarde peinzend weer naar het strand, had Aleid al een voorkeur voor bepaalde modeontwerpers; bepaalde muziekgroepen. Will luisterde slechts naar wat de top veertig voorschreef…
‘Ik kan ook later even terugkomen, hoor,’ zei de paardenstaart.
O ja. Die was er ook nog. Die meid, in de bloei van haar bestaan, had natuurlijk wel wat beters te doen dan hier staan wachten totdat Will besloot of ze die olijven nu wilde of niet terwijl ze werd opgeslokt door haar herinneringen.
‘Sorry,’ zei Will, en wapperde even met de menukaart. ‘Ik moet nog even kijken.’
De serveerster glimlachte breeduit. ‘Geen probleem mevrouw!’ Met enkele kordate stappen belandde ze bij de volgende gasten.
Een mier schoof over het terrastafeltje.
Ze was inderdaad een mevrouw, tegenwoordig. Hans deed haar altijd nog voelen als een meisje. Deed. Verleden tijd. Want achter Hans’ scheve glimlach schuilde een duister geheim.

