Na de wanhoopskreet van haar zus, stond Will kordaat op en wees ze naar Jack Spijkerman, die haar, staand in het midden van de woonkamer van de vakantiewoning, net de liefde had verklaard. ‘Jij daar! Allemaal leuk en aardig, maar het is bijna middernacht en onze drenkeling’ – ze knikte naar de doorweekte Duitser op de bank – ‘heeft zijn slaap nodig.’
‘Maar, maar…’ stamelde Jack.
‘Geen gemaar,’ zei Will. ‘We praten er morgen wel over.’
Jack knikte plechtig: ‘Morgen. Afgesproken.’
Will keek weer naar de Duitser. Waar kende ze hem nu toch van? Zijn gezicht kwam haar zo bekend voor…
De drenkeling keek verdwaasd. Hij moest erg moe zijn. Will gaf hem een extra deken, die hij over zich heen trok, waarna hij als een blok in slaap viel.
Vervolgens richtte Will zich tot Aleid. ‘Zusje, wat is er aan de hand? Je gedraagt je al sinds mijn onfortuinlijke aanvaring met de fonteinbar zo raar.’
‘Will,’ begon Aleid. De tranen stonden haar in de ogen. ‘Ik nam je mee hiernaartoe om Hans, die schuinsmarcheerder, te vergeten. Tenminste, dat zei ik.’ Aleids lip trilde. ‘Maar eigenlijk,’ snikte ze, ‘had ik een dubbele agenda.’
Ze was even stil.
‘Aleid, vertel het me maar,’ zei Will.
Aleid barstte in tranen uit. ‘Will, ik heb onze erfenis verkwanseld! De erfenis die ik in mijn eentje, ten gevolge van een financiële constructie die te ingewikkeld is om kort samen te vatten, voor ons allebei beheerde.’
‘Ach zusje,’ verzuchtte Will. ‘Ik verdien genoeg bij het Minderhouds Institute om van te leven. Die erfenis kan me gestolen worden. Door mijn bezoek aan dit toneeleiland realiseer ik me wat er écht belangrijk is in het leven. En geld is dat niet.’
Aleid schudde berouwvol haar hoofd. ‘Nee, Will, wacht. Dat is nog niet alles. Er is beslag gelegd op onze huizen…’
Will keek haar zusje met grote ogen aan.
‘Ik heb uit wanhoop alles vergokt, Will. We zijn hier op het toneeleiland omdat we aan wal geen dak meer boven ons hoofd hebben!’
Aleid wierp zich op de keukenvloer. ‘Door jouw ontsnapping aan de spitse staven van die roemrijke horecagelegenheid op het festivalterrein besefte ik eens te meer dat ik deze leugen niet langer voor me kon houden!’
De kerkklokken van het kerkje in Midsland sloegen middernacht. Het was dus zeven over twaalf.
Will lag de hele nacht wakker. Geen huis meer, geen huis meer, dacht ze steeds. Die wooncrisis waar haar dochter Mimi het altijd over had, kwam nu wel heel dichtbij. Toch was ze kalm. Ze voelde zich verlost. Vrij. De toekomst lag voor haar open, ontvankelijk als de weidse horizon op het toneeleiland.
Toen klopte iemand op haar slaapkamerdeur. Iemand met een vreemde tongval fluisterde: ‘Will? Ben jij dat?’
Wie staat er voor Wills deur? En hoe zullen zij en Aleid hun financiële problemen oplossen? Zal Will eindelijk ingaan op de avances van Jack Spijkerman? Lees het in het vervolg van Onrust aan de Waddenkust.



